Twee teams van twee spelers nemen het tegen elkaar op. Er wordt gespeeld met een kaartspel van 32 kaarten (7 tot heer, aangevuld met de 1, ook aas genoemd). De 10, ook manille genoemd, geldt als de hoogste kaart.
Bij elke slag moeten de spelers hoger leggen dan de vorige kaart, tenzij men dat niet kan. Als je niet kan volgen, ben je verplicht te kopen, behalve als de slag aan jouw medespeler is. De speler die de hoogste kaart legde, wint de slag.
Na het spelen van de 8 slagen tellen de teams punten. 1 punt voor een boer, 2 voor een dame, 3 voor een heer, 4 voor een aas (1) en 5 voor een manille (10). Alles wat je meer haalt dan 30 punten, wordt genoteerd als score (bv. een team haalt 36 punten; er 6 genoteerd).
Op dit WK worden er per ronde 3 spelletjes (ook een boompje genoemd) gespeeld. De spelers worden geloot en iedere speler aan tafel moet één spelletje spelen met alle andere spelers aan tafel.
Na de eerste ronde gaan telkens de twee beste spelers naar de volgende ronde. In de tweede ronde wordt hetzelfde systeem toegepast om de deelnemers weer met de helft uit te dunnen. In de laatste ronde doet men nog eens hetzelfde. Wie dan het beste scoort, wordt wereldkampioen.
