Wisselkantoor in de jungle
De ruïne van Arnak is geen dooie bouwval, maar een levendig wisselkantoor in de jungle. Ze nemen daar werkelijk alles aan en je krijgt er altijd iets anders, en echt hé: soms zelfs hetzelfde voor terug. En als het gekregene niet bevalt, dan wissel je het gewoon weer in voor iets anders. Geld speelt uiteraard een rol, maar minstens even waardevol zijn de kompassen, kleitabletten, robijnen en pijlpunten. Al deze voorwerpen komen en gaan van en naar je eigen spelersbordje. Zelfs de kaarten zijn niet zomaar kaarten, maar 'voorwerpen' of 'artefacten', wat in zekere zin óók voorwerpen zijn natuurlijk. Intussen kom je dankzij al dat wisselen steeds een stukje verder in de jungle én in je onderzoek.
Werkers
Deze jungle, die eruit ziet als een groot speelbord, kent vele ontdekplekjes waar je je werkers kunt neerzetten. Wat je op die plekken krijgt, is altijd een verrassing en dus soms precies wat je wilt hebben. Maar soms ook precies niet. Maar dan is daar dus gelukkig dat wisselkantoor.
Die werkers, dat zijn er maar twee. Ik keek nog even goed in de doos, maar je krijgt er echt maar twee. Daar moet je het elke ronde mee doen.
Kaarten
Die twee mannetjes (oeps, het kunnen ook vrouwtjes zijn natuurlijk, of neutrale figuren) zijn gelukkig niet alles. Want de ontwerpers hebben behalve die werkers nog iets anders bedacht in Arnak: een machine bouwen met een stapel kaarten. Ik vond dat zogeheten deckbuilden nogal meevallen trouwens. Of tegenvallen, beter gezegd, want ik houd nogal van deckbuilden. Het klopt namelijk niet helemaal, dat "bouwen", want de kaarten die je toevoegt aan je stapel, gebruik je misschien nog maar een of twee keer of vooruit: drie keer in het spel. Je speelt immers maar vijf ronden.
Sorry, dat had ik misschien wat eerder moeten melden. Arnak speel je dus in vijf ronden. Dat betekent dat je de kaarten die je in ronde 1 koopt, nog wel eens kunt spelen. Maar kaarten die je in ronde 3 of 4 koopt? Dan moet je wel even weten wat je nog hebt liggen, want anders is de kans groot dat je ze voor niks hebt gekocht. In een oude favoriet Dominion zijn de kaarten die extra kaarten opleveren al lekker natuurlijk, maar bij Arnak zijn ze van héél groot belang. Anyway, een deckbuilder met vijf ronden, daar is niks opbouwends aan, dat is gewoon "kaart kopen en een keer gebruiken". Zeker de "artefact kaarten" gebruik je vaak maar een keer, want ze komen relatief laat in het spel en een tweede keer gebruiken is duur: dat kost namelijk een kleitablet. Het kopen van de zogeheten voorwerpkaarten in de laatste twee ronden doe je niet meer voor hun functie, want je zult ze - een uitzondering daargelaten - nooit meer spelen. Die koop je slechts voor de punten op de kaart zelf. Wat niet helemaal optimaal is trouwens.
Ontdekken
Grondstoffenmanagement en kaartenstapel bouwen dus. Het ene een beetje overdreven, het andere een beetje beperkt. Kom ik op een volgend kenmerk van Arnak: de vele ontdekkingen die je doet. Je wordt bijna elke beurt verrast. En dat is erg leuk. Je weet nooit tevoren wat je op een nieuwe locatie aantreft, welke volgende voorwerpen en artefacten beschikbaar komen, welke bewakers je nu weer moet verslaan. Dat maakt het strategische gehalte nogal dun, maar het speelt wél leuk. En er zijn keuzes te over.
Geen machtige combo's in Arnak dus, geen zorgvuldig opgebouwde strategie of economie. Ik vond dat wat teleurstellend, omdat ik dacht dat dit spel in de wat zwaardere strategische hoek zat. Toch vond ik de potjes zelf wel leuk eigenlijk. Ontdekken is toch een beetje jezelf laten verrassen. En je hebt op de een of andere manier elke ronde iets meer te kiezen en te doen.
Balans
De puntentotalen verschillen in onze potjes nooit veel. Met de balans zit het volgens mij dus wel goed. Toen ik het spel als familiespel ben gaan benaderen, en ging spelen met de kinderen, kwam Arnak beter tot zijn recht. Met een beetje geluk heeft iedereen namelijk kans om te winnen. Als je pakweg twee monsters weet te overwinnen, met je kompas tot het einde komt en met je logboek halverwege, als je daarnaast ongeveer 10 kaarten weet te kopen en 3 tot 5 ontdekkingen hebt gedaan, dan kom je al op een puntentotaal waarmee je zomaar kunt winnen. Natuurlijk, als je echt gaat rekenen, en precies gaat puzzelen welke dingetjes je nodig hebt, dan kom je zo 15 punten verder, maar dit spel lokt uit dat je dat gewoon eens lekker niet doet. Arnak heeft een heel hoog "niet teveel denken maar gewoon lekker doen" gehalte. Is dat goed? Ik laat dat in het midden. Leuk vind ik het in elk geval wel, zeker in de potjes waarin je voorbij een bepaald punt weet te geraken en er ineens nog véél meer gebeurt. Ik zeg niet waar dat punt ligt natuurlijk.
Over evenwicht gesproken. Voorbeeld van een potje waarbij twee spelers bewust twee totaal verschillende benaderingen probeerden. De een ging vol voor ontdekken, opgraven en monsters verslaan. Met 7 monsters naast zijn bordje op het eind. Hij had wél het geluk dat hij het pistool kocht in ronde 1 en dat ding in de vier ronden daarna kon gebruiken. Dat zijn dus al vier monsters. De ander rende het onderzoeksspoor op en pakte ook nog een ruïne tegel van 11 punten. Beide gingen goed. Puntentotaal scheelde slechts 3.
Wij speelden trouwens een keer per ongeluk 6 ronden. Althans, dat denken wij, gezien de puntentotalen. De laatste ronde liep totaal uit de hand, alles kon, bijna alles was bereikbaar. Eigenlijk was dat heel leuk. Het mag dus niet hè, maar probeer het gerust eens uit.
Interactie en herspeelbaarheid
Daar moet ik ook iets over zeggen natuurlijk. Interactie. Die is er, maar heel mild. De werkers kunnen elkaar dwars zitten, er is concurrentie op de kaarten en een race op het onderzoeksspoor. Maar voor alles wat opeens niet kan, komt er wel weer een andere mogelijkheid.
De herspeelbaarheid is groot, dacht ik te gaan zeggen. Alles is zo'n beetje anders elk spel. Maar toch merk ik dat het spel na de eerste 10-15x opeens niet meer zo makkelijk op tafel komt. Je kent de weggetjes dan wel. Wij noemen dat thuis het 'Orléans syndroom': lekker spelen, alles ontdekken, nog een keer dit of dat proberen, en nog eens, maar dan ineens is het klaar. Orléans spelen we nog steeds af en toe, dus voorlopig blijft Arnak ook.
Spelersaantallen en solo
Met twee spelers is Arnak in een uur gespeeld. Dat vinden wij uitstekend eigenlijk. Met drie of vier vond ikzelf het spel iets teveel gaan slepen. Ook hier dringt zich de vergelijking op met Orléans, of bijvoorbeeld Bourgondië: hoge opzettijd en de speelduur neemt behoorlijk toe per extra speler. Ik heb ook de solo enkele malen geprobeerd. Die speelt heel soepel. Nauwelijks 'overhead' en toch goede interactie met de nepspeler naast je. Echt prima gedaan.
Conclusie
Als je bij Arnak een stevig strategisch bordspel verwacht, dan word je mogelijk teleurgesteld. Als je je voorbereidt op een uurtje in je eentje of met zijn tweeën lekker ontdekken, dingetjes ruilen en punten pakken, dan komt het vast goed.
