Stonemaier heeft het wederom aangedurfd een spel te laten ontwikkelen door een rookie, waarvan acte en waarvoor hulde. Dit keer is het Connie Vogelmann, met illustrator Kwanchai Moriya (o.a. van Under falling skies). Hieronder mijn bevindingen, eerst in het kort en daarna wat uitgebreider.
Het spel in het kort
In Apiary beheer je je eigen super geavanceerde en ruimtereizende bijenkorf en plaats je per beurt één van je vier werkbijen op een plekje op het centrale bord om een bepaalde actie te kunnen doen. Het kopen van een tegel voor in je eigen bijenkorf bijvoorbeeld, of het verkennen van een verre planeet, het wisselen van grondstoffen of het verkrijgen van (hopelijk vette) zogeheten ‘seedcards’ (‘zaadkaarten’ vond ik eigenlijk wel een goeie vertaling, maar dat lees je zo wel). Met name die kaarten en bepaalde tegels leveren vervolgens de punten op waarmee je het spel probeert te winnen. Een leuk element bij het plaatsen der bijen is dat je de werkbijen die al ergens staan weg kunt ‘bumpen’, óók als ze van jezelf zijn. Een bezette plek is dus nooit geblokkeerd. De bij die ‘gebumpt’ wordt, krijgt meer kracht en kan weer opnieuw worden ingezet door de eigenaar ervan. Een klassieke win-win situatie dus.
Je werkbijen hebben een kracht van 1 tot 4. De krachtigste bijen zet je één keer in, dus die actie moet wel knallen, zeg maar. Na kracht vier gaan ze in zogeheten winterslaap: je plaatst een fiche op één van de speciale winterslaap-plekjes en weg is je bij. Je kunt ze vervolgens wel weer terughalen met kracht 1. Als alle winterslaapplekjes bezet zijn, is het spel voorbij.
Samenvatting
De eerste potjes waren erg leuk om te spelen. Het materiaal, het kiezen waar je heen wilt, het bumpen, het toegroeien naar je sterkste bijen en daarmee een vette actie doen, het behoorlijk plotselinge einde als iedereen ongeveer 3 tot 5 keer in winterslaap is gegaan. Het is weer typisch Stonemaier ontdekken geblazen. Geen sprake van dat je meteen door hebt wat de beste strategie is, wat je in je beurt het beste kunt doen. Learning by doing is het adagium. Leuk dus.
Maar. Het spel valt na die eerste ontdekpotjes héél ver terug. Of beter gezegd: het spelletje is zo vergankelijk als de bijen dat het als thema heeft. De bezigheid van spelen wordt een beetje saai, om te beginnen. Er is daarnaast een zeer storende onbalans door enorme verschillen in sterkte van kaarten en tegels. En er is eigenlijk uiteindelijk te weinig leuks te doen na die eerste potjes.
Het spel lijkt ook niet af. Het gevoel dringt zich op dat we ongewild testspelers zijn geworden. Waarom zijn sommige kaarten of tegels zomaar 10+ of zelfs 20+ punten waard en sommige andere slechts 4? Waarom zijn er überhaupt te weinig ‘supermachines’ in het spel? Waarom racet de ene factie in no-time naar het einde terwijl de andere factie juist gebaat is bij een geduldige opbouw? Waarom zijn er eigenlijk maar een paar plekjes op het bord écht relevant voor je bijen, als je naar hun krachten van 1 tot 4 kijkt?
Uiteindelijk zijn ook de puntenverschillen gewoon veel te groot en nauwelijks nog beïnvloedbaar. De vergelijking met Tapestry dringt zich op: Apiary heeft behoefte aan doorontwikkeling, aan beter testen en stevige redactie. Zodat je het ook na een paar potjes nog leuk blijft vinden.
Positief
Negatief
Tot slot
Eigenlijk waren we gewoon teleurgesteld in Apiary. De anderen in huis waren er al snel klaar mee (“boring”) en ik heb het nog wat langer geprobeerd leuk te vinden. Maar uiteindelijk vond ik dit spel na een leuk begin op zijn hoogst maar zeer matig. Jammer wel, maar misschien ook gewoon een sign of the times van onze maatschappij van snelle wegwerpkicks: er komen zóveel spellen uit en je kunt eigenlijk zo weinig spelen, dat veel matige spellen dankzij weinig speeltijd wegkomen met gebrekkige kwaliteit, terwijl sommige steengoede spellen de speeltijd nooit krijgen die nodig is om de kwaliteit ervan te kunnen zien.

