Brass Birmingham heeft zich in korte tijd tegen onze vier huisfavorieten aangeschurkt. Hoe heeft dit spel dat voor elkaar gekregen?
Ikzelf heb niet veel met Engeland, industriële revolutie, kolen of staal. Maar ja, ik zag natuurlijk wel de stevige stijging op de internationale ranglijst der spellen op BGG. Zou het misschien niet toch stiekem een gaaf spel zijn?
Wat ik in zulke gevallen doe: reviews lezen, foto’s bekijken, waarderingen checken, op BSM rondvragen. Dat viel niet tegen. Spelsysteem leek wel cool eigenlijk, of eigenlijk eerder hot, gezien het thema. De prentjes, een groot voordeel van BGG, vond ik uitgesproken somber. En zou het te doen zijn met twee spelers? Ik was nog druk aan het twijfelen, toen mijn betere helft al een besluit nam. Daar lag ineens een verjaarscadeau klaar. Nu moest ik wel.
Eerste indrukken. Dat sombere viel ons mee. Het spel zag er eigenlijk nogal chique uit. Mooie platte doos met goed artwork. Een nacht en een dag bord, mooie stemmige kleurstelling (very English, indeed), gaaf ‘luchtfoto’ effect en een hoop fiches en ander materiaal. De biertonnetjes waren een leuke verrassing. En wat is een industriële revolutie in Engeland zonder bier, nietwaar? Over bier en industrie gesproken… er is geen arbeider te bekennen in Brass Birmingham. Als er nou één spel in de hele wereld zou zijn waarin ‘worker placement’ niet zou misstaan, dan zou het Brass zijn. Waar zijn de arbeiders? Arbeiders die je kunt uitpersen en veel te lang kunt laten werken, die zwartgeblakerd en moe elke vrijdagavond hun weekloon opzuipen, die bloed ophoestend de boel gaan opruien, die dronken en wel om stemrecht en scholing komen mekkeren. En dan ook nog godbetert blauwe knopen gaan oprichten. Dat soort arbeiders dus. Waar zijn ze? Nergens te bekennen. Ik verheug me op een uitbreiding. En intussen zit er gelukkig ook veel wél in de doos. Heel veel.
Mensenkinderen, wat was het klaarzetten van Birmingham een hoop werk. Al die fiches ordenen en netjes op je spelersbord leggen. Ook hier helpt Folded Space een handje, vooral met de bakjes waarin je je industrieën geordend en wel kunt bewaren.
De regels waren goed leesbaar in een zeer thematisch spelregelboek, waarin ook staat uitgelegd waaróm regels zijn zoals ze zijn. Prima. Kolen bijvoorbeeld kun je niet zonder boot of trein vervoeren. Dus als je kolen nodig hebt, moet je verbonden zijn met een kolenmarkt, óf zelf een kolenmijn hebben opgericht. Logisch toch? En meteen een belangrijke strategische aanwijzing. Ander voorbeeld: bier smeert de kelen en is dus een noodzakelijke voorwaarde voor handel. Daarbij was het veiliger dan water in die tijd. Onwijs belangrijk in Birmingham, dat bier. Het fenomeen gemeentebier kennen ze in Engeland trouwens ook: die staat al gratis klaar voor de eerste speler die een handelsactie uitvoert. IJzer heb je niet in grote hoeveelheden nodig, dus dat sleep je overal vandaan. Addertje onder het gras is wel: om ijzer te maken, heb je een ijzerfabriek nodig. En om zo’n fabriek te bouwen heb je, jawel, kolen nodig. Als je dacht dat die industriële revolutie er zomaar kwam, dan ben je nu die illusie kwijt. Het was keihard plannen, investeren en bouwen geblazen. En keihard werken. Zonder arbeiders, dus je moet alles zelf doen.
De eerste potjes. Worstelen met regels had ik verwacht, maar dat viel enorm mee. Goed lezen, soms even nazoeken, maar het boekje vind ik helder en goed gestructureerd. De regels zijn eigenlijk vrij logisch allemaal. Ook het ‘verbonden zijn’ versus ‘behorend tot jouw netwerk’... het speelde allemaal best organisch, zal ik maar zeggen. Wat mij opviel was dat het spel thematisch en speltechnisch bij de eerste potjes al begint te stralen. Het spel wérkt echt, ondanks dat gebrek aan arbeiders. Je speelt Birmingham absoluut niet geïsoleerd trouwens. Je moet verbonden zijn met je medespeler(s), anders haal je het gewoon niet. Het bord is feitelijk van alle spelers samen. Een spoorlijn die eenmaal ligt, kan iedereen gebruiken. Maar je eigen netwerk is minstens zo belangrijk, en evenzo je verbondenheid met de markten aan de rand van het bord. Je bent dus continu aan het wikken en wegen. De ander heeft sowieso voordeel van jouw acties, net als jij van die van de ander, maar weegt dat voordeel op tegen wat je zelf binnenhaalt aan geld en punten?
Ik ben geen rekenaar, althans niet met spelletjes, maar ik ben wel een bovengemiddelde planner en daarbij heel erg van: “ongeveer daar wil ik heen” en “gewoon proberen”. Ik vloek liever achteraf een paar keer dan dat ik alles tevoren wil uitrekenen. Wat dat aangaat is Birmingham helemaal mijn spel. Want als je probeert alles door te rekenen, dan krijg je enorme hoofdpijn van dit spel. En het lukt ook nooit, want je medespeler(s) doen geheid zetten die alle doorgerekende scenario’s acuut waardeloos maken. En zo komen we en passant bij een van mijn belangrijkste redenen voor het spelen van spelletjes en waarom ik Birmingham zo leuk vind: de verrassende onvoorspelbaarheid van je medespelers speelt een grote rol in Birmingham. Strategie is belangrijk, maar adequaat reageren nog meer.
De essentie van het spel. Plannen. Bouwen. Geld verdienen. Punten pakken. Met een uitgekiende strategie die je te allen tijde moet kunnen aanpassen aan de strategie van je medespelers. Nieuw voor mij is dus dat in dit spel de wederzijdse strategieën heel innig met elkaar verbonden zijn. Hier geldt Quid pro quo ofwel: voor wat hoort wat. Veel wat je doet levert de ander ook wat op. En andersom. Iemand die jouw bier gebruikt voor een transactie, kan daarmee zomaar 10 punten pakken (= winst op de transactie), maar jou óók 10 punten opleveren (= netjes biertjes afrekenen). Dit soort interactie zit diep verankerd in het hele spel. Ik vind dat enorm leuk.
De transacties die je doet, of in platte speltermen: het omdraaien of flippen van tegeltjes, is het aller allerleukste bij Brass. Vind ik dan hè. Eerst bouw je fabrieken, dan gebruik je ze en tot slot verkoop je als het ware de hele handel. Net echt. En superleuk. Vooral als je er meerdere tegelijk kunt flippen, want dat mag allemaal in één beurt! Regelmatig pakt dat óók goed uit voor de ander, als je zijn of haar bier, kolen of staal gebruikt. Een soort sociaal-economische kettingreactie.
Elke zet doet ertoe. Elke zet kost sowieso een kaart. En de voorraad kaarten is niet onbeperkt. Daar ga je dus al: plannen tot in Sint Juttemis kan dus niet, het is onverbiddelijk voorbij na je laatste kaart. Dit spel is dus het leven zelf. Eeuwigheid is des duivels oorkussen. Die spruitjes wachten geen eeuwigheid, die moeten NU de grond in, zoals een favoriete schrijver van mij eens zei. Birmingham heeft dat heel sterk: een gevoelde noodzaak om nú te bouwen, nú te investeren. Voor later.
De twee fasen in het spel zijn ontzettend goed gekozen. In de eerste fase, de Canal era, is het nog redelijk relaxed allemaal. Je gebruikt boten want er zijn nog geen treinen. Je fabrieken zijn wat minder waard allemaal en zijn ook zo weer weg. De ontwikkelingen gaan hard in het industriële tijdperk. Na deze fase ruim je zo’n beetje alles op (wég opgebouwd netwerk!), doet een tussentelling en begin je het échte tijdperk van de industriële revolutie. De economische take off zogezegd. De Rail era dus. Alles in dit tijdperk is duurder (duh), maar alles levert óók meer op. En nou komt het mooie: als jij al in het eerste tijdperk met vooruitziende kapitalistenblik een gebouw hebt neergezet voor dat tweede tijdperk, dan levert je dat dubbel op, en beter nog: je hoeft het gebouw niet op te ruimen, wat je een ijzersterke startpositie oplevert in de Rail era. Je hebt immers al een stukje eigen netwerk liggen. Ik vind dit allemaal hersenkrakend gaaf.
In de rail era wordt de interactie nóg sterker. Er komt meer bier op tafel, er moet meer kolen worden geproduceerd en je staal gaat extra veel opleveren. En als je een beetje hebt gepland, dan zet je in dit tijdperk ook je duurste pottenbakkerijen, katoenfabrieken en pakhuizen neer. Waar je begon met een behoorlijk benepen budgetje, eindig je met kolossale hoeveelheden geld waarmee alles kan. Nou ja, alles, je komt er eerder achter dat geld niet het probleem is voor ondernemende mensen, maar gebrek aan ruimte (de steden op de kaart) en aan tijd (je actiekaarten). En zo ontstaat dus de ultieme keuzestress, temeer daar je elke keer maar twee beurten hebt terwijl je eigenlijk nét drie of vier keer achter elkaar wilt om even een slag te slaan op het bord. Voilà: ook daar is aan gedacht door Wallace cs., het is niet te geloven: de beurtvolgorde staat niet vast! Nee, die hangt af van wat je uitgeeft in die twee beurten die je hebt. Minder uitgeven betekent eerder aan de beurt. Ergo: je kunt plannen op vier beurten/acties achter elkaar, zeker als je met zijn tweeën speelt. Combineer voldoende geld met vier beurten waarvan de laatste met het flippen van meerdere kaartjes en je hinkt-stapt-springt keihard over de ander heen. Als de ander niet zit op te letten dan hè, wat helaas voor mij meestal niet het geval is. Wat het spel uitermate spannend maakt, dat dan weer wel.
Met hoeveel speel je dit spel het best? Ik weet het niet. Wij spelen het met twee. Ik lees op veel plekken dat het spel pas straalt met drie of vier, maar daar zit ik toch anders in. Juist het al genoemde systeem van beurtvolgordes is beter met twee dan met drie of vier. Sterker: met drie of vier spelers kun je bijna niet koersen op vier acties achter elkaar en loopt speler drie of vier het gevaar gemangeld te worden tussen de andere spelers die dat wél een paar keer voor elkaar krijgen. Nog wat voordelen voor Birmingham met zijn tweeën: het bord is kleiner en dus overzichtelijker en het mechanisme van ‘je neemt wat je geeft wat’ is directer en sluit nooit een derde of vierde speler uit. Ten slotte hoef je minder lang op je beurt te wachten, wat bij een spel met hoog AP risico een pre is.
Over de herspeelbaarheid tot slot kan ik na onze 15 spelletjes nog niet alles zeggen. Ik heb geen preferente strategieën ontdekt. Natuurlijk heeft Birmingham niet de maximale variëteit van de asymmetrische toppers bij ons in huis. En natuurlijk kom je er na een paar potjes achter dat sommige keuzes, zeker in het begin van het spel, handiger zijn dan andere. Let op je kolen, ijzer en bier, zal ik maar zeggen. En je rail links. En natuurlijk ben ik erachter gekomen dat het spel niet bepaald vergevingsgezind is als je fouten maakt. Maar ik denk toch dat de herspeelbaarheid heel hoog zal zijn. Je startkaarten zijn namelijk elke keer anders, de markten liggen steeds op andere plekken, je medespelers anticiperen elk spel anders, er valt heel veel te experimenteren met verschillende routes en industrieën... kortom, genoeg variatie om de 100 te halen, zeg ik. Waarmee je dus ongeveer 200 uren lol hebt beleefd aan een spel.
Genoeg gekletst. Na dit lange verhaal zal het duidelijk zijn: weliswaar mis ik de arbeiders een beetje in dit thematische en speltechnische topspel, maar verder wij zijn heel blij met Birmingham. We hebben al een flink aantal potjes gespeeld en verheugen ons op nog veel meer.
En ik ben benieuwd naar verhalen van anderen over dit spel.
Edit tags
